Waarom gaat een schroefbit stuk of draait hij uit?

Een schroefbit slijt zelden. Hij klimt uit de kop of breekt door torsie. De vier oorzaken, het verschil met impactbits, en hoe u beide voorkomt.

Een schroefbit slijt zelden gewoon op. In de praktijk gaat het op twee manieren mis. Of de bit klimt uit de schroefkop en freest het profiel rond, of de bit knapt af bij de punt of bij de schacht. Dat zijn twee verschillende problemen met twee verschillende oorzaken.

Uitklimmen is een krachtenprobleem: er zit te weinig axiale druk op de bit, of het profiel past niet. Breken is een torsieprobleem: er gaat meer koppel door de bit dan het staal kan opnemen zonder te vervormen. Wie die twee uit elkaar houdt, lost het in vijf minuten op.

Wat gebeurt er precies als een bit uitdraait?

Het verschijnsel heet cam-out. Bij een kruiskop lopen de flanken van het profiel schuin. Zodra het koppel oploopt, wordt een deel van dat koppel omgezet in een axiale kracht die de bit omhoog uit de kop duwt. Houdt u die kracht niet tegen, dan slaat de bit een slag over en schraapt hij het profiel weg.

Dat gebeurt in een fractie van een seconde en is bijna altijd onherstelbaar. De schroefkop is rond en de bitpunt heeft een velletje staal verloren. Eén keer doorslaan verkort de levensduur van een bit meer dan honderd goed ingezette schroeven.

Phillips (PH) stamt uit een tijd zonder betrouwbare koppelbegrenzing: het uitklimmen wás de begrenzing. Pozidriv (PZ) heeft vier extra ribben tussen de hoofdvleugels en gaat dat juist tegen. Torx (TX) heeft rechte flanken, zet vrijwel geen axiale kracht op, en draait het minst snel uit.

De vier hoofdoorzaken op een rij

1. Verkeerd profiel of verkeerde maat

De klassieker: een PH2-bit in een PZ2-schroef. Hij gaat er wel in, maar raakt de flanken op een paar punten. Het contactoppervlak is ongeveer de helft van wat het moet zijn, en daar gaat al het koppel doorheen. Binnen tien schroeven is de punt afgerond.

Kijken doet u zo: een PZ-schroefkop heeft vier korte streepjes op 45 graden tussen de kruisarmen. Zitten die er niet, dan is het PH. Ook de maat telt: een PZ1 in een PZ2-kop wiebelt, een PZ3 steunt alleen op de bovenrand.

2. Niet haaks aanzetten

Staat de machine vijf graden scheef, dan draagt maar een deel van het profiel. De bit krijgt naast torsie ook buiging, en juist op buiging is gehard bitstaal gevoelig. Bovenhands of in een krappe hoek is dit de meest voorkomende oorzaak van afgebroken punten.

3. Te weinig aandrukkracht

Tegen de axiale uitklimkracht helpt maar één ding: tegendruk. Vuistregel voor een PZ2 in hout: leun met ongeveer 15 tot 20 kg op de machine, dus met uw lichaamsgewicht en niet alleen met uw pols. Iemand die met één hand en een gestrekte arm schroeft, drukt zelden meer dan 5 kg en draait dus structureel uit.

4. Te veel koppel voor het bittype

Een gewone bit is hard en daarmee bros. Komt er een koppelpiek voorbij die het staal niet kan opvangen, dan scheurt het in plaats van te vervormen. Dat is het typische breukbeeld: een korte, glazige breuk zonder verbuiging, meestal op de overgang van punt naar schacht of net voor de zeskant.

Deze bits werken het langst als profiel, druk en koppel kloppen. Op deze pagina ziet u de losse bits en de complete sets:

Wat doet torsie in een bit?

Koppel gaat niet vloeiend door een bit. Bij het aanlopen, bij het vastlopen van de kop en bij elke slag van een slagschroevendraaier ontstaat een piek. Die piek concentreert zich op het dunste of hardste punt van de schacht.

Gehard staal kan die energie nergens kwijt. Het vervormt niet, dus het breekt. Een torsiebit lost dat op door één stuk van de schacht bewust minder hard te maken, meestal met een gerichte warmtebehandeling na het harden. Die zone wringt een paar graden mee, zet de piekenergie om in warmte, en laat daarna weer los.

Het effect is fysiek klein en praktisch groot. Een paar graden torsie over 25 tot 50 mm schacht halen de top van de belastingcurve af, en de punt houdt zijn geometrie veel langer. In sets met torsiehouder zit vaak een tweede, zachtere zone in de houder: die vangt de kleine pieken, de bit de grote. Een bit van 50 mm heeft meer schacht om in te wringen dan een van 25 mm.

Welk staal en welke coating maken verschil?

De discussie gaat bijna altijd over twee staalsoorten. S2 is een schokbestendig gereedschapsstaal dat na harden meestal rond 58 tot 62 HRC uitkomt. Chroom-vanadium (CRV, vaak als 6150) blijft in bitvorm doorgaans rond 48 tot 52 HRC. S2 houdt de profielgeometrie dus veel langer scherp, maar is bij gelijke hardheid ook brosser.

Coatings worden overschat. Titaannitride (TiN) is een harde, goudkleurige laag van een paar micrometer. Hij verlaagt de wrijving en verhoogt de slijtvastheid van het oppervlak. Wat hij niet doet: de bit sterker maken. De kern blijft dezelfde staalsoort en bij een torsiepiek breekt hij op dezelfde plek. Een coating rekt de tijd tot de punt rond is, hij voorkomt geen breuk. Diamantgecoate bits (met een fijne slijpkorrel) doen het omgekeerde: die verhogen de grip in de kop, ten koste van de schroefkop.

Eigenschap CRV, gewone bit S2, gewone bit S2, impact- of torsiebit
Hardheid indicatief 48 tot 52 HRC 58 tot 62 HRC Punt hard, torsiezone bewust zachter
Punt blijft scherp Kort Lang Lang
Bestand tegen koppelpieken Matig Slecht, bros Goed
Geschikt voor slagschroevendraaier Nee Nee Ja
Typisch gebruik Handschroevendraaier, licht werk Accuboormachine met koppelring Slagwerk, constructieschroeven

Symptoom, oorzaak en oplossing

Wat u ziet Waarschijnlijke oorzaak Wat u eraan doet
Punt is rond en glimmend, schroefkop ook beschadigd Cam-out door te weinig aandrukkracht Meer axiale druk, lagere toeren, korter aanlopen
Punt rondt af binnen 10 schroeven, kop blijft gaaf Verkeerd profiel of verkeerde maat (PH in PZ) Profiel controleren op de vier extra ribjes
Bit breekt vlak achter de punt, korte glazige breuk Torsiepiek in een te harde, gewone bit Impact- of torsiebit gebruiken
Bit breekt bij de zeskant in de houder Buiging door scheef aanzetten, of te lange overspanning Haaks aanzetten, kortere bit of stijvere houder
Punt splintert of brokkelt af Slagwerk op een niet-impactbit Alleen bits met torsiezone in slagschroevendraaiers
Bit slipt pas na 30 tot 40 schroeven Normale slijtage, punt is uit maat gelopen Vervangen, punt is niet bij te slijpen
Bit zit scheef in de machine, wiebelt zichtbaar Versleten bithouder of magneetring Houder vervangen, niet de bit
Schroefkop breekt af voor de bit stukgaat Te hoog koppel of geen voorboring Koppel omlaag, voorboren in hardhout

Wiebelt de bit zichtbaar, dan ligt het meestal niet aan de bit maar aan de opname. Vergelijk de houders hier:

Wat is het verschil tussen een gewone bit en een impactbit?

Uiterlijk lijken ze op elkaar, behalve dat een impactbit vaak een zichtbaar dunner of mat gedeelte in de schacht heeft. Dat is de torsiezone. Een gewone bit is over de hele lengte zo hard mogelijk, een impactbit is bewust minder hard in het midden.

Zet u een gewone bit in een slagschroevendraaier, dan gebeurt dit. De slagmechaniek levert enkele duizenden slagen per minuut, elk met een koppelpiek. Die energie kan nergens heen, het staal bouwt vermoeiingsscheurtjes op, en na tientallen tot een paar honderd schroeven knapt de bit zonder waarschuwing af. Vaak midden in een schroef, met een stuk gehard staal vast in de kop.

Daar komt een veiligheidskant bij: een brosse bit die onder volle slag breekt, kan een splinter wegschieten. Draag een bril en gebruik in slagwerk uitsluitend bits die als impactbit verkocht zijn.

Let ook op de schacht. Voor machines geldt de zeskant van 1/4 inch volgens ISO 1173, in de vorm E 6.3 met de ringgroef voor de kogelvergrendeling. De vorm C 6.3 zonder groef is bedoeld voor handhouders en magneethouders. In een snelwisselchuck met kogelvergrendeling hoort vorm E.

Hoe stelt u het koppel goed in?

Een accuboorschroefmachine heeft een koppelring met meestal 15 tot 25 standen, plus een boorstand. Bij elke stand slipt de koppeling op een ingesteld moment en klikt hoorbaar. De boorstand schakelt die koppeling uit: dan gaat al het koppel door de bit.

  1. Pak een afvalstuk van hetzelfde materiaal en dezelfde dikte.
  2. Begin op ongeveer een derde van het bereik, bijvoorbeeld stand 5 van 20.
  3. Draai een schroef in. Klikt de koppeling voordat de kop op zijn plek zit, dan één stand hoger.
  4. Herhaal tot de kop precies op de juiste diepte staat en de koppeling daarna klikt.
  5. Noteer die stand voor deze combinatie van schroef en materiaal.

De hoogste stand en de boorstand hebt u bij schroeven vrijwel nooit nodig. Ze zijn er om vast te boren of om een vastgelopen schroef los te breken. In die standen is er geen begrenzing, dus de zwakste schakel geeft het op: de bit, de schroefkop, of uw pols. Zodra de kop het materiaal raakt loopt het koppel binnen een halve slag op naar het maximum, en daar sneuvelen de meeste bits.

Een slagschroevendraaier heeft geen koppelring en levert zijn koppel in slagen, vaak 100 tot 180 Nm bij een 18V-machine. Regelen doet u met de trekker en de snelheidsstand. Voor spaanplaatschroeven tot 5 mm is stand 1 van 3 meestal genoeg.

Wanneer helpt een magneethouder en wanneer niet?

Een magnetische bithouder houdt de bit vast én de schroef aan de bit. Dat laatste is puur winst bij eenhandig werk, bovenhands schroeven en kleine schroeven die u anders met twee vingers moet positioneren.

Drie situaties waarin hij juist tegenwerkt.

  • In staal en bij boorschroeven. De magneet trekt alle spanen aan. Die hopen zich op in de bitpunt, de bit komt daardoor niet meer tot de bodem van het profiel, en het uitdraaien begint.
  • Bij lange, slappe houders. Hoe langer de overspanning tussen chuck en schroef, hoe meer de bit kan zwabberen. Elke millimeter zijdelingse uitwijking is buiging, en buiging breekt bits.
  • Bij RVS en bij magneetgevoelig werk. RVS is meestal niet magnetisch, dus de houder biedt daar geen enkel voordeel en vangt alleen vuil.

Voorboren scheelt meer dan welke bit dan ook: in hardhout halveert een voorboring van 70 procent van de kerndiameter het benodigde koppel. Zie het overzicht met houtboren voor voorboren en verzinken.

Voor los werk en nastellen zijn schroevendraaiers met bitopname vaak sneller dan machinewerk:

Hoeveel schroeven haalt een bit?

De spreiding is enorm, dus niemand geeft er garantie op. Een bruikbare orde van grootte, gemeten aan spaanplaatschroeven 4×40 in vurenhout met een correct ingestelde koppelring:

Situatie Indicatie aantal schroeven
Goedkope CRV-bit, verkeerd profiel, weinig druk 20 tot 50
CRV-bit, juist profiel, juiste druk 200 tot 500
S2-bit, juist profiel, koppelring ingesteld 500 tot 1500
S2 torsiebit in slagschroevendraaier, hout 1000 tot 3000
Gewone bit in slagschroevendraaier 50 tot 300, dan meestal breuk
Willekeurige bit in hardhout of constructieschroeven Deel door twee tot vier

Waar het vanaf hangt, in volgorde van invloed: eerst het profiel en de pasmaat, dan de aandrukkracht, dan het bittype, dan pas het staal en de coating. Een goedkope bit die goed wordt gebruikt gaat langer mee dan een dure bit die scheef en zonder druk wordt ingezet.

Vervang een bit zodra de punt glimt op de ribben of zodra hij voor het eerst doorslaat. Naslijpen heeft geen zin: het profiel ligt op honderdsten vast en u haalt de harde buitenlaag eraf. Houd PZ2, PH2 en TX25 dubbel op voorraad. Het assortiment staat bij de schroefbits per profiel en maat en de opnames bij de bithouders en snelwissels.

Kort samengevat

  • Een bit slijt zelden vanzelf op. Hij klimt uit de kop (cam-out) of hij breekt door een torsiepiek, en dat zijn twee verschillende problemen.
  • De vier oorzaken zijn: verkeerd profiel of maat, niet haaks aanzetten, te weinig aandrukkracht, en te veel koppel voor het bittype.
  • Een impact- of torsiebit heeft een bewust zachtere zone in de schacht die een paar graden meewringt en de koppelpiek omzet in warmte. Een gewone bit in een slagschroevendraaier breekt, vaak zonder waarschuwing.
  • S2 staat rond 58 tot 62 HRC en houdt de punt langer scherp, CRV rond 48 tot 52 HRC. Een TiN-coating verlengt de standtijd van het oppervlak maar voorkomt geen breuk.
  • Stel de koppelring in op de laagste stand die de schroef nog op diepte krijgt. De hoogste stand en de boorstand hebt u bij schroeven vrijwel nooit nodig.
  • Een magneethouder helpt bij eenhandig en bovenhands werk, maar werkt tegen in staal, bij lange overspanning en bij RVS.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *